Het internet is voor iedereen, toch?

Apps & Software
Het internet is voor iedereen, toch?

Een van de ‘basisbeginselen’ van het internet als wereldwijd informatienetwerk is dat het voor iedereen toegankelijk is. Er is niet voor niets behoorlijk wat te doen rondom netneutraliteit. Wat mag er wel en wat mag er niet worden beperkt als het gaat om de toegang tot het internet? Toegankelijkheid is echter ook op een andere manier te definiëren. Is het voor iedereen mogelijk om op een computer een browser of app op te starten en naar een gewenste pagina te navigeren of de gewenste informatie uit de app te halen? Recent organiseerde Siteimprove – een organisatie gericht op het behalen van dit doel – een bijeenkomst waarin men hier dieper op inging. Wij waren erbij en spraken er met Stein Erik Skotkjerra, lead accessibility strategist bij Siteimprove. 

Het doel van Siteimprove en Skotkjerra is om de toegankelijkheid van websites in de breedste zin van het woord te verbeteren. Er is namelijk nog wel behoorlijk wat te winnen op dit vlak. Op dit moment wordt het volgens Skotkjerra voor zo’n 20 procent van de potentiële bezoekers onmogelijk gemaakt om zonder problemen te kunnen browsen. Als je ook de mensen meerekent die er indirect bij betrokken zijn (begeleiders en dergelijke), komen wereldwijd zo’n 1 miljard mensen in aanraking met slechte toegankelijkheid van websites. De verdeling tussen het Westen en ontwikkelingslanden is niet verrassend overduidelijk in het voordeel van het Westen. Dat wil zeggen, in ontwikkelingslanden ligt het percentage mensen dat websites niet kan gebruiken vele malen hoger dan in westerse samenlevingen.

Drie groepen

In het algemeen zijn er drie groepen te definiëren die tegen problemen met toegankelijkheid van websites aanlopen. Deze groepen bestaan zoals eerder gesteld uit de mensen met de daadwerkelijke beperking, maar ook uit de mensen in hun nabije omgeving.

  1. Beperkingen die te maken hebben met de zintuigen, niet alleen zicht en/of gehoor, maar ook voelen.
  2. Fysieke beperkingen, bijvoorbeeld Parkinson of verlammingen.
  3. Cognitieve beperkingen, onder andere problemen met lezen en leren, maar bijvoorbeeld ook naweeën van een beroerte.

Je kunt deze drie groepen ook onderverdelen op basis van de plaats waar de beperking zich bevindt. Bij groep 1 zit de beperking hoofdzakelijk in het vermogen om te begrijpen wat een apparaat (smartphone, pc) de gebruiker wil vertellen. Bij groep 2 is deze met name de andere kant op gericht. Mensen in die groep kunnen geen input of feedback geven aan een apparaat. Groep 3 is zonder twijfel de meest uitdagende van de drie volgens Skotkjerra. Daar zit de beperking in het hoofd van de gebruiker. Het is nagenoeg onmogelijk om je hierin te verplaatsen. Bij de andere twee groepen kun je dat nog wel doen. Je kunt bijvoorbeeld prima een handschoen aandoen die simuleert hoe het is om een apparaat te bedienen met een bepaalde beperking. Het is niet mogelijk om de naweeën van een beroerte adequaat in de hersenen te simuleren.

Niet hoog genoeg op de agenda

Je zou denken dat een dergelijk grote groep mensen die wordt uitgesloten een goede reden is om het aan te pakken. In de praktijk valt dat volgens Skotkjerra vies tegen. Als je het vraagt aan bedrijven en instanties, dan weten ze vaak niet eens of ze ermee bezig zijn. Of ze sturen je het bos in met de claim dat de developers de richtlijnen volgen.

Tijdens ons gesprek met Skotkjerra proeven we overigens ook wel een zekere mate van begrip voor het achterblijven van de toegankelijkheid op deze vlakken. Deels heeft dat te maken met het document waar de richtlijnen instaan, WCAG. WCAG staat voor Web Content Accessibility Guidelines en is opgesteld onder de vlag van het W3C, het World Wide Web Consortium. Dat is veel te ingewikkeld, dus laten veel partijen dit links liggen.

Volgens Skotkjerra is dit gelukkig wel aan het veranderen. Zo is het W3C op dit moment bezig met het ontwikkelen van een methode die de richtlijnen test. Op die manier kunnen developers meteen controleren of een en ander voldoet. Dat maakt het in ieder geval objectief testbaar.

Siteimprove

Bij Siteimprove maken ze ook tools om websites te optimaliseren op het gebied van toegankelijkheid. Er is bijvoorbeeld een plugin voor veel gangbare CMS’en: Sitecore, WordPress, Drupal, Magento, Umbraco, WooCommerce, Episerver en eZ Publish. Aan een nog bredere ondersteuning wordt volgens Siteimprove continu gewerkt. Met een dergelijke plugin kun je allerlei zaken testen. Denk hierbij aan de leesbaarheid van de teksten. Het gaat dan niet alleen om de juiste woordkeuze, maar bijvoorbeeld ook om het contrast.

Standaardiseren is lastig

Een eerste ingeving zou zijn om de ontwikkeling van websites verder te standaardiseren. In theorie is dat volgens Skotkjerra een goed streven. De praktijk leert echter dat dit niet eenvoudig is. Als voorbeeld noemt hij HTML. In feite zit toegankelijkheid ingebouwd in die taal. In de praktijk gooien developers daar echter vrijwel altijd hun eigen design en dergelijke overheen. Voorbeelden die hij noemt zijn div-elementen of een datumprikker. De toegankelijkheid is daarna vaak ver te zoeken. Een browser kan natuurlijk wel gaan gokken wat er wordt bedoeld met een bepaald design, maar dat wil je eigenlijk niet.

De gebruikte tools standaardiseren is eveneens lastig. Die worden vaak gemaakt en onderhouden door communities. Als 10 partijen bijdragen aan een tool, dan hoeft er maar eentje te zijn die wat code toevoegt die in strijd is met toegankelijkheid en de hele tool wordt onbruikbaar voor toegankelijkheid.

EU Web Accessibility Directive

Afgaande op wat Skotkjerra ons vertelt, is het toegankelijk maken van websites overduidelijk een uitdaging. De Europese Commissie deelt de inzichten van hem kennelijk ook, want heeft een Web Accessibility Directive in het leven geroepen. Deze richtlijn is eind vorig jaar gepubliceerd in het tijdschrift van de Europese Unie, waarmee hij sindsdien officieel van kracht is.

Publieke websites

Het doel van de nieuwe richtlijn is om publieke websites en apps toegankelijk te maken voor iedereen. Het gaat hierbij dus om websites en apps van ministeries, gemeentes en andere publieke instanties. Volgens Skotkjerra wordt er inmiddels ook gewerkt aan wetgeving voor bepaalde private partijen. Denk hierbij aan partijen in de telecomsector en de financiële wereld. Deze vallen echter niet onder de huidige richtlijn.

De richtlijn moet ervoor zorgen dat websites en apps ‘perceivable, operable, understandable en robust‘ zijn. Om dit te bereiken moet er voldaan worden aan standaarden die zijn vastgelegd in European standard EN 301 549. Het voert hier te ver om deze allemaal te bespreken, maar de standaarden hebben op allerlei zaken betrekking. Niet alleen op het ontwerp van je website, maar ook op de hardware die gebruikt moet kunnen worden bijvoorbeeld. Let wel, deze standaarden zijn nog niet geharmoniseerd, een term die we eerder dit jaar ook al eens tegenkwamen bij het Radio Equipment Directive van de Europese Commissie. Dit houdt in dat deze nog niet door een officieel orgaan formeel zijn ontwikkeld en vrijgegeven.

Goed begin

Skotkjerra vindt de richtlijn zeker een stap in de goede richting. Een probleem is echter hoe je het gaat handhaven. Er zijn op dit moment namelijk geen tools om aan te tonen dat je compliant bent. Ook de tools van Siteimprove zelf kun je hier vooralsnog niet voor gebruiken. Je kunt ze wel gebruiken om te kijken of er ‘fouten’ in je website of app zitten, die er dus voor zorgen dat je niet voldoet aan de richtlijn. Verder hangt het ook per lidstaat af wat de maatregelen gaan zijn. Per lidstaat moet er een orgaan aangewezen worden die erop toeziet. Mocht dit orgaan – dat de sites van onder andere de overheid feitelijk moet controleren – door de overheid zelf aangewezen worden, dan kunnen we ons voorstellen dat het geen enorm succes wordt overigens.

Overigens is Skotkjerra geen voorstander van het streven naar compliancy als doel bij het ontwikkelen van een website of app. Uiteindelijk moet je je richten op een een zo goed mogelijke usability. Dan maak je de site of app voor iedereen beter, of men nu een beperking heeft of niet.

Wat moet er gebeuren?

Testen of een website of app juridisch compliant is met de EU Web Accessibility Directive is dus niet mogelijk op het moment. Daarnaast geldt deze richtlijn alleen maar voor publieke instanties. Uiteindelijk zijn de problemen op private websites en apps natuurlijk net zo groot. De grote vraag is dan ook hoe je ontwikkelaars zover krijgt om beter rekening te gaan houden met mensen met een beperking (en de mensen eromheen).

In eerste instantie is het volgens Skotkjerra belangrijk dat men het probleem gaat inzien. Met een mooi woord heet dat awareness creëren. Als dat eenmaal is gelukt, moeten organisaties ook getraind worden om er rekening mee te houden. In de basis moet je usability zoveel mogelijk voorrang geven bij het ontwikkelen van websites of apps. Functie gaat boven vorm. Ook moet men zich volgens hem goed realiseren dat technologie niet alleen zaken mogelijk maakt, maar juist ook onmogelijk. Hij heeft als voorbeeld een scherm bij de receptie waar je zelf je naam in moet voeren. Dat is voor mensen met bepaalde beperkingen niet te gebruiken, ook al lijkt het voor mensen zonder beperking een enorme verbetering ten opzichte van hoe het daarvoor was.

Change management

Uiteindelijk is het allemaal change management binnen organisaties. Je hoeft volgens Skotkjerra echt niet je volledige website opnieuw te gaan bouwen. Developers moeten er gewoon vanaf nu rekening mee houden. Dan wordt alles stukje bij beetje beter. Toegankelijkheid/usability moet ook (nog meer) onderdeel worden van het functioneel testen van websites en apps.

Je moet ook niet denken dat je alles tegelijkertijd aan kan pakken. De beste strategie is volgens Skotkjerra om eerst een audit te doen. Daarna zet je de verbeterpunten in volgorde van belangrijkheid en ga je de eerste 10 zaken verbeteren. Zo ga je door. Uiteraard is het zaak om vervolgens ook alles goed te onderhouden.

Commercieel interessant

Tot slot vragen we Skotkjerra ook nog even naar wat het toegankelijk maken van websites en apps allemaal wel niet moet kosten. Dat valt erg mee volgens hem. Zoals al eerder gezegd moet je er vanaf nu gewoon rekening mee houden. Neem het gewoon mee in het proces.

Volgens Skotkjerra kan het zelfs juist behoorlijk wat geld opleveren (in het geval van private partijen). Je hebt immers in potentie een miljard meer klanten wereldwijd. Hij geeft een voorbeeld uit zijn eigen leven. Hij reist veel en boekt zijn vluchten online. Dit doet hij niet bij de (lokale) maatschappij waarbij hij het graag zou willen doen. De reden hiervoor is dat diens website geen rekening houdt met zijn visuele beperking in combinatie met de screenreader die hij gebruikt. De ruim 10.000 euro die hij jaarlijks uitgeeft aan vliegreizen loopt de maatschappij dus mis.

Uiteindelijk zijn zeker private partijen altijd vatbaar voor een financieel argument om iets te doen. Dat zou zomaar eens de ingang kunnen zijn naar een beter internet voor iedereen. Er is nog wel veel werk aan de winkel, zoveel is duidelijk. Wij blijven de ontwikkelingen op dit gebied in ieder geval goed volgen.