Waarom on-premise-development niet dood is

Er is een wisseling van de wacht gaande bij techbedrijven. De controle over de implementatie van nieuwe apps verschuift van traditionele IT-afdelingen naar nieuw gevormde ontwikkelteams. Vaak geven deze nieuwe teams de voorkeur aan public-cloudoplossingen, waar ze niet hoeven te werken met on-premise-IT en direct toegang hebben tot de vereiste infrastructuurresources en developer-vriendelijke platformservices. Deze ontwikkeling wekt de indruk dat on-premise-development ten dode is opgeschreven. Want als al die nieuwe applicaties in een public cloud worden gehost, wat voor nut heeft on-premise-IT dan nog?

Legacy-apps belangrijke omzetbronnen

Bedrijven vergeten één ding. Terwijl de ontwikkelteams apps bouwen in AWS, GCP en Azure, blijven on-premise-systemen gewoon doordraaien. Legacy-apps en de data die zij jarenlang hebben geproduceerd, blijken vaak belangrijke omzetbronnen te zijn en zullen niet op korte termijn verdwijnen. Bovendien is het veelal onpraktisch om deze legacy-apps naar een public cloud te verplaatsen.

Daarnaast moeten nieuwe, op public cloud gebaseerde apps toch nog op bepaalde niveaus communiceren met bestaande applicaties. Wat betekent dat developers ook aan de on-premise-omgeving moeten sleutelen, voordat ze aan de slag kunnen met cloud-integraties. Dit is geen nieuw fenomeen. In het geval van een grote reorganisatie of een fusie komt het voor dat een applicatie die oorspronkelijk was bedoeld om off-premise te draaien, gekoppeld wordt aan een on-premise-systeem. Uiteindelijk blijft on-premise-ontwikkeling een belangrijke spil om fundamenteel verschillende architecturen te laten samenwerken. Deze ontwikkeling noemen we ook wel ‘hybrid cloud’.

On-premise niet goedkoper?

Daarnaast zijn door de jaren heen veel public-cloudapps volwassen en relatief stabiel geworden, maar wel met soms torenhoge facturen als gevolg. Bedrijven beginnen zich bij het zien van deze kosten af te vragen of het toch niet goedkoper is om onderdelen weer on-premise te hosten. Dit zorgt voor meer hybrid-cloud- en private-cloudinvesteringen en een opkomst van ‘lift-and-shift’-diensten. Niet om over te stappen naar de public-cloudoplossingen, maar juist terug naar (gedeeltelijke) private-cloudoplossingen.

Wie had dat een paar jaar geleden gedacht? Het is dus toch geen einde verhaal voor on-premise (cloud)ontwikkeling. Maar er zit een addertje onder het gras: niemand wil verouderde modellen gebruiken om de apps van morgen te bouwen. Om op cloud geïnspireerde trends, zoals self-service, DevOps en cloudnative, te ondersteunen is er ook on-premise moderne cloudinfrastructuur nodig.

Gevaar vendor lock-in

Dit beseffen de grote public-cloud-leveranciers ook steeds meer, en zij proberen dan ook een hybride alternatief te bieden. Toch is het on-premise plaatsen van ‘cloud-in-a-rack’ niet dé oplossing. Het is zeker een makkelijke en snelle manier om on-premise-cloudmogelijkheden te realiseren. Maar het zorgt ook voor een vendor lock-in, waarbij apps vastzitten aan één ecosysteem van één leverancier. En dat vergroot de kans dat de applicatiearchitectuur gericht blijft op één portfolio aan services.

Daarom is een combinatie van verschillende elementen nodig om een moderne cloud te bouwen. Een private cloud met hybride mogelijkheden en cloudnative-tools die voorzien in heterogeniteit, operationele efficiëntie en schaalbare technologie. Zo’n open systeem biedt alle flexibiliteit die nodig is en voorkomt een nadelige vendor lock-in.

Dit is een ingezonden bijdrage van Bryce Cracco, Cloud Technologist bij NetApp. Via deze link vind je meer informatie over het cloud verhaal van het bedrijf.