NASA heeft haar nieuwe techniek, gebaseerd op het internet, om diep in de ruimte te kunnen communiceren succesvol getest. Technici van NASA’s Jet Propulsion Laboratory in Pasadena, Californië hebben software genaamd Disruption- Tolerant Networking, of kortweg DTN gebruikt om zeer veel ruimtefoto’s van en naar een NASA ruimtevoertuig ongeveer 32 miljoen kilometer verwijderd van de aarde te sturen.

"Dit is de eerste stap in het ontwerpen van een geheel nieuwe manier om in de ruimte te kunnen communiceren, een interplanetair internet," zo vertelde ADrian Hooke, teamleider van het project.
NASA en Vint Cerf, voorzitter van Google, zijn tien jaar geleden een samenwerking aangegaan om dit softwareprotocol te ontwikkelen. DTN verzendt de informatie op een manier dat iets afwijkt van het normale TCP/IP-procotol welke wij tegenwoordig gebruiken voor het internet en ook mede-ontworpen is door Cerf.

Het Interplanetaire Internet moet sterk genoeg zijn om vertragingen in de dataoverdracht, verstoringen en verloren verbindingen te kunnen weerstaan. Deze dingen kunnen allemaal voorkomen wanneer een ruimtevoertuig bijvoorbeeld achter een planeet verdwijnt en deze planeet zich dus bevindt tussen het voertuig en de aarde. Daarnaast kunnen gedurende een zonnewind ook lange tijd vertragingen optreden in de verbindingen. Het versturen van data van Mars naar de Aarde duurt tussen de 3,5 en 20 minuten met de snelheid van het licht.

Anders dan het TCP/IP-protocol, is het DTN niet ontworpen om een constante stroom aan data te hebben. In het ontwerp is het zo in elkaar gezet dat wanneer een bepaald doel van een pakket niet gevonden kan worden, met andere woorden de ‘computer’ aan de andere kant dus niet bereikbaar is, dit pakket niet verloren zal gaan. Ieder netwerk zal namelijk al deze data bewaren zo lang als dit nodig is om uiteindelijk veilig en goed te kunnen communiceren met de ontvanger. Door het constant opslaan van gegevens en pas doorsturen als het daadwerkelijk mogelijk is, zullen nooit gegevens verloren gaan. De data blijft opgeslagen totdat de ontvanger beschikbaar is, waarna het veilig afgeleverd wordt bij de ontvanger.

"Tegenwoordig is het in de ruimte zo dat een team handmatig moet inplannen wanneer zij de verbinding tot stand wil brengen en dient zij zelf de commando’s te geven welke data verzonden moet worden, wanneer het verzonden moet worden en waar dit naartoe moet," zo vertelde Leigh Torgerson, manager van het DTN Experiment Operations Center. "Met DTN kan dit allemaal automatisch gedaan worden."

De technici zijn in oktober een maand lang bezig geweest met het testen van DTN. De data werd door gebruik te maken van NASA haar Deep Space Network twee maal per week verstuurd. NASA’s Epoxi werd gebruikt als ontvanger op Mars. Epoxi zelf is op missie om komeet Hartley 2 in twee jaar te kunnen vernietigen.
Op dit moment zijn er tien verschillende zenders en ontvangers actief welke deelnemen aan het interplanetaire netwerk. Eén van deze voertuigen is Epoxi, de andere 9 bevinden zich op de aarde, in het Jet Propulsion Laboratory, en simuleren hier Mars-landers, ruimtevoertuigen in de ruimte en andere ruimtecentra.

Dit maand lang durende experiment is de eerste in een serie van testen om deze technologie te kwalificeren voor het gebruik in een groot aantal komende ruimtemissies. In de volgende testronde, welke de volgende zomer zal beginnen, zal NASA de nieuwe DTN-software uitproberen op het internationale ruimtestation.

In de komende jaren kan dit interplanetair internet wellicht een aantal nieuwe missies mogelijk maken. Complexere missies waarbij veel verschillende soorten voertuigen nodig zijn worden door gebruik te maken van dit interplanetair internet een stuk eenvoudiger. Daarnaast kan deze nieuwe manier van communiceren ook veel beter garanderen dat de astronauten op de maan goed kunnen blijven communiceren met de aarde.