De discussie over Europese digitale soevereiniteit is een nieuwe fase ingegaan. Waar het debat een half jaar geleden nog werd gedomineerd door de wens om simpelweg onafhankelijk te worden van Amerikaanse hyperscalers, is die initiële ambitie inmiddels een gepasseerd station. De fundamenten voor een eigen Europese datasoevereiniteit staan al in de steigers. Volgens Kurt Jonckheer, CEO van Klarrio, zijn we daarmee aanbeland in het tijdperk waar soevereiniteit echt goed vorm kan krijgen.
De verschuiving brengt een unieke kans met zich mee om een technologische inhaalslag te maken. In het Engels past hier de term leapfrog goed, waarbij een ontwikkelingsfase volledig overgeslagen wordt om direct een leidende positie te pakken. Vergelijk het met wat er tijdens de mobiele revolutie in delen van Afrika eerder gebeurde. Daar werd de volledige generatie van vaste telefoonlijnen en inbelverbindingen simpelweg overgeslagen door direct te investeren in mobiele netwerken. Binnen de kortste keren beschikte men over smartphones, zonder ooit een vaste lijn te hebben gehad.
Met de soevereiniteitsdiscussie is er voor Europese bedrijven een soortgelijke leapfrog-kans. Een kans om complexe legacy-systemen achter zich te laten en over te gaan op moderne data-infrastructuur.
Kloof tussen theorie en de dagelijkse werkvloer
Jonckheer schetst dat deze transitie niet vanzelf zal gaan. Binnen veel organisaties die momenteel de overstap willen maken naar een soevereine Europese cloud, tekent zich een hardnekkig en pijnlijk patroon af. Er wordt aanzienlijk geïnvesteerd in het bouwen van een nieuw platform op basis van open source en moderne technologieën. De verwachting is dat dit platform de organisatie zal transformeren, maar de praktijk is vaak weerbarstiger door een diepgewortelde tweedeling op de werkvloer. De meerderheid van het personeel werkt dagelijks nog in vertrouwde, traditionele omgevingen met verouderde bedrijfsapplicaties. Slechts een klein, sterk geïsoleerd team houdt zich daadwerkelijk bezig met de nieuwe technische activiteiten.
Deze twee groepen kunnen potentieel met elkaar botsen. Het innovatieve team werkt met radicaal andere tools, nieuwe processen en opkomende methodes. Hierdoor gaat het steeds meer als een eiland binnen het eigen bedrijf functioneren. Deze early adopters kunnen de rest van de organisatie al snel als conservatief en traag ervaren. Tegelijkertijd kan het voor medewerkers met traditionele benaderingen aanvoelen alsof ze achterblijven.
Tip: De roep om fundamentele software skills wordt steeds luider
Stranden in goede bedoelingen
Het gevaar hiervan is dat ambitieuze migratieprojecten kunnen vastlopen. Na een intensieve periode van bouwen staat er een modern platform, maar de bestaande bedrijfsapplicaties zijn niet meegeëvolueerd. Om deze applicaties op het nieuwe systeem te laten draaien, is een grondige herstructurering of refactoring van de code nodig. Juist voor dat complexe proces ontbreken vaak de budgetten en de prioriteit, waardoor er in de praktijk nauwelijks een applicatie op het nieuwe fundament draait.
Op Europees bestuursniveau zijn de beleidslijnen om digitale autonomie af te dwingen inmiddels duidelijk zichtbaar en omgezet in wetgeving. Dit begint bij de Chip Act 2.0 voor de opbouw van eigen chipproductie en de Cloud and AI Development Act (CADA) die strikte richtlijnen biedt rondom kritische AI. Dit wordt ondersteund door een investeringskader met vrijgemaakte fondsen en een breed gedragen EU-opensourcestrategie om transparante technologie in Europa te verankeren.
Deze relatief recente stappen bieden een stevig kader. Er is echter wel een aanzienlijke blinde vlek. Alternatieven voor de fundamentele infrastructuurlaag worden momenteel in rap tempo gebouwd, maar de daadwerkelijke services en applicaties die daar bovenop moeten functioneren, schitteren door afwezigheid. Net zoals IT-professionals tien jaar geleden massaal gecertificeerd moesten worden om Amerikaanse clouddiensten te bedienen, vereist de nieuwe soevereine cloud een geheel nieuwe set vaardigheden en een exponentieel verbreed ecosysteem van lokale aanbieders.
Rijkswaterstaat als blauwdruk voor gecoördineerde modernisering
Hoe deze technologische sprong er in de complexe praktijk uit kan en moet zien, illustreert Jonckheer aan de hand van Rijkswaterstaat. Deze overheidsorganisatie beheert vitale infrastructuur zoals bruggen, sluizen en tunnels die vaak nog uit de jaren zestig en zeventig dateren. Het huidige beheer van deze kritieke infrastructuur is door de decennia heen sterk versnipperd geraakt in zwaar geïsoleerde silo’s. De tunnels in Zeeland of de sluizen van de Oosterschelde worden veelal regionaal en autonoom beheerd, compleet met eigen, gescheiden software en onafhankelijke reserveonderdelenketens.
Jonckheer pleit in dit soort situaties echt voor een overkoepelende visie. Rijkswaterstaat moet verder kijken dan enkel het reactief vervangen van verroeste sensoren of fysieke hardware. De ware moderniseringsslag, het echte leapfroggen, bevindt zich in de intelligente ontsluiting van al deze decentrale databronnen via een cloud-native, open source en gedistribueerde applicatielaag.
Door alle data landelijk te uniformeren, kunnen beheerders via één gecentraliseerd en soeverein platform een holistisch overzicht krijgen van de volledige nationale infrastructuur. Door deze holistische blik kunnen sluizen en bruggen in de nabije toekomst zelfs autonoom met elkaar communiceren. Draaischema’s van bruggen kunnen dan continu worden afgestemd op de actuele drukte van zowel het scheepvaartverkeer als het wegverkeer, in plaats van vast te houden aan vooraf gedefinieerde en statische tijdsblokken.
Noodzaak van een consortium
Om dit soort uiterst complexe ambities succesvol te realiseren, is diepgaande samenwerking over de grenzen van individuele bedrijven heen essentieel. Geen enkele partij bezit de kennis om dit in isolatie te bouwen. Rijkswaterstaat werkt samen met diverse gespecialiseerde leveranciers die al decennialang systemen leveren voor de ingewikkelde telemetrie van zware infrastructuur. Jonckheer streeft naar zo’n krachtige consortiumbenadering om gezamenlijk een Europees soeverein voorstel neer te leggen dat het hele EU-ecosysteem naar een hoger plan tilt.
Hij ziet echter dat de dialoog hierover nog volkomen in de kinderschoenen staat. “Als niemand dat naar voren brengt, dan zie ik het niet autonoom ontstaan”, stelt Jonckheer. Zijn oproep is dan ook gericht aan alle spelers in het soevereiniteitsdebat: stop met het louter migreren van kale serverinfrastructuur en dwing af dat het volledige service- en applicatielandschap integraal wordt meegenomen.
Focus op integraties in plaats van kerntechnologie
Wanneer de roep klinkt om dit soort soevereine applicatielagen te bouwen, stuit men vaak op cynisme. Er wordt reflexmatig gedacht dat Europa het technologische talent mist en we daardoor voor eeuwig gedoemd zijn om terug te vallen op Amerikaanse dataplatformen als Databricks of Snowflake. Jonckheer ontkracht deze hardnekkige mythe door te wijzen op de ontstaansgeschiedenis van dergelijke platformen. Hoewel dit nu enorm grote bedrijven zijn, begonnen ze allebei relatief recent met een zeer klein groepje.
De start van Databricks was namelijk bescheiden. Het begon met een kleine groep promovendi aan de University of California, Berkeley, die werkten aan oplossingen voor parallelle dataverwerking. Toen zij vijf jaar later hun eerste commerciële kantoor in San Francisco openden, was het team nog klein. De absolute kern van de motor achter Databricks, Spark, is oorspronkelijk geschreven door een groepje studenten. Wat Databricks vandaag de dag biedt, komt voort uit het verder bouwen op dat oorspronkelijke Spark.
Een vergelijkbaar patroon tekent zich af bij Snowflake, waar in de beginjaren een handjevol Europese ex-Oracle-medewerkers de basis legde. Toen dat dataplatform enorm goed bleek te functioneren voor analytics-workloads, groeide het in een mum van tijd uit tot een ontzettend groot bedrijf. Saillant detail is hier dat de oorspronkelijke oprichters van Snowflake Europees zijn, maar dat ze Amerika kozen vanwege het ecosysteem en de kansen op kapitaal.
De les die we uit beide voorbeelden kunnen trekken is dat investeren in iets wat klein begint er echt voor kan zorgen dat Europa dataspelers van formaat voortbrengt. “Het intellect en de skills zijn in Europa beschikbaar”, benadrukt Jonckheer. Het ligt echt aan een gebrek aan lokaal durfkapitaal en een fundamenteel tekort aan zakelijke prikkels.
Van belemmerende regeldrift naar een business incentive
De Europese politiek staart zich veelal blind op de astronomische miljardenwaarderingen van techbedrijven in Silicon Valley en gebruikt die ten onrechte als maatstaf voor Europese haalbaarheid. Terwijl de politiek aarzelt, sneuvelen Europese initiatieven op de klippen van protectionisme en onwerkbare regelzucht. Gaia-X, het ambitieuze cloudproject uit 2019, liep vrijwel direct vast op nationaal eigenbelang. Het bittere resultaat was geen technologische samenwerking, maar het optuigen van een ondoorgrondelijk woud aan nieuwe compliance-wetgeving.
Om het tij te keren, heeft Europa dringend behoefte aan een krachtige business incentive. Commerciële bedrijven haken onmiddellijk af zodra duidelijk wordt dat een project louter leidt tot extra administratieve lasten in plaats van financieel voordeel. Zolang de adoptie en training van AI in Europa afhankelijk blijft van Amerikaanse platformen, waarbij budgetten door ondoorzichtige token-pricing al verdampen voordat de implementatie goed is gestart, blijft structurele innovatie op eigen bodem onmogelijk.
Sprong wagen buiten de verouderde structuren
Daarmee zijn we aangekomen bij de valkuil voor de bredere Europese datatransitie. We moeten als continent de sprong durven maken naar compleet nieuwe architectuurmodellen en ecosystemen, in plaats van verouderde structuren met subsidies op te lappen. Technisch gezien is het lokaal bouwen van een robuust en Europees alternatief voor grootschalige dataverwerking absoluut haalbaar. Wat er op dit moment nog ontbreekt, zijn de diepgaande technologische integraties en de politiek-financiële randvoorwaarden om dat nieuwe ecosysteem zuurstof te geven.
De noodzaak voor de realisatie van een soevereine Europese cloudomgeving, inclusief applicaties en AI, is nog nooit zo groot geweest. De technologie ligt klaar en het talent is op ons eigen continent aanwezig. Het is nu de hoogste tijd om daadwerkelijk de sprong te wagen.
Tip: “Blinde AI-inzet leidt tot kennisverlies en software-infarcten”