Stel: in het begin van 2025 wilde je de opslagomgeving hernieuwen en gaf je de goedkeuring aan een offerte die er op dat moment perfect normaal uitzag. Tegen het einde van datzelfde jaar is de prijs voor de componenten meer dan verdubbeld. Niet omdat de offerte verkeerd was, maar wel omdat de markt sneller geëvolueerd is dan de aankoopcyclus.
Het is een scenario waar veel organisaties vandaag mee te maken krijgen. Het dwingt hen na te denken over factoren zoals kosten, vraag, uitdagingen in de toeleveringsketen en de opkomst van nieuwe technologieën. Stuk voor stuk elementen die opslaginvesteringen onder druk zetten.
Laten we er een paar cijfers bij pakken: De prijzen voor NAND flash zijn sinds het begin van 2025 met 246% toegenomen. Onderzoeksbureau TrendForce verwacht dat de contractprijzen voor SSD in één enkel kwartaal met 53 tot 58 procent zullen blijven stijgen. Dezelfde ontwikkelingen spelen zich af voor server DRAM. Dit zijn geen goede omstandigheden voor organisaties om op langetermijnrisico’s te nemen met eigen opslag, maar toch is dat precies wat er gebeurt.
De oorzaak is structureel: AI-infrastructuur eist wereldwijd meer geheugen en opslagcapaciteit dan de markt kan leveren. Halfgeleiderfabrikanten moesten de productie van wafers omleiden naar geheugen met hoge bandbreedte dat nodig is voor GPU-clusters. En dit gaat ten koste van de standaard bedrijfscomponenten. TrendForce ziet de vraag naar NAND nog met een 20-22 procent jaar-op-jaar groei toenemen, terwijl de voorraad met slechts 15-17 procent zal stijgen.
De kloof verkleint dus niet en de rekening zal hard aankomen bij organisaties die nog niet over hun aankoopstrategie voor opslag hebben nagedacht.
De verborgen kosten van het niets doen
In eigen opslagarchitecturen is de waarde in de hardware zelf geconcentreerd. Functionaliteiten, prestatieverbeteringen en schaalbaarheid zijn afhankelijk van nieuwe apparatuur. De leverancier controleert hierdoor niet alleen de roadmap van het product, maar ook het moment waarop jouw hardware een vernieuwing ondergaat. In een stabiele markt lijkt dat hooguit een onaangename gedachte. In de huidige situatie is het een ernstig financieel risico.
De kosten om opslag aan te kopen zijn bovendien slechts een deel van het verhaal. Verlengingen van de ondersteuning voor verouderde hardware gaan meestal sneller dan de inflatie, waardoor bedrijven vaak hoge onderhoudsprijzen moeten betalen voor systemen waarvan de bedrijfswaarde flink is afgenomen. Als je daar nog eens de operationele overhead aan toevoegt voor het runnen van afzonderlijke silo’s voor blok-, bestands- en objectopslag, dan wordt het moeilijk om de prijs van het traditionele model te verdedigen vergeleken met de oorspronkelijke investering.
Silo’s in architectuur zijn ook de basis voor inefficiënties die zich blijven opstapelen. Zo komt het vaak voor dat capaciteit vastzit in één silo, terwijl een andere met een ernstig tekort kampt. Het beheer wordt ook steeds complexer wanneer workloads veranderen. Organisaties die AI-pipelines met conventionele bedrijfsapplicaties ondersteunen, gaan snel merken dat deze infrastructuur niet in staat is om aan de nieuwe verwachtingen te voldoen.
Intelligentie loskoppelen van hardware
Software-defined storage biedt een antwoord voor dit probleem. Het koppelt de intelligentie van opslag los van de onderliggende hardware. Hierdoor worden dataservices zoals schaalbaarheid, resilience, optimalisatie van prestaties en security via de software geleverd. Zo kunnen deze componenten dus evolueren zonder afhankelijk te zijn van een bepaalde generatie hardware. De organisatie zit niet langer vast in de hernieuwingscyclus van de provider en hardware kan volgens economische logica gekocht, geschaald en vervangen worden – en niet volgens de roadmap van de apparatuur. Hierdoor geniet je opnieuw van flexibiliteit en ruimte om te onderhandelen.
Moderne software-defined platformen zijn gebouwd om moderne hardware volledig te benutten. Dat geldt ook voor NVMe-flash en netwerkstructuren met hoge snelheid. Zo bieden ze consistente en voorspelbare prestaties op schaal. Het ontkoppelen is architecturaal, niet operationeel. Niet de kwaliteit van de service verandert, maar wel wie controle heeft over de waarde ervan.
Even overtuigend is het argument van de levenscyclus. In software-defined omgevingen kunnen verschillende hardware-generaties vanuit een gemeenschappelijk paneel bestuurd worden. Dit betekent dat organisaties hun infrastructuur stapsgewijs kunnen vernieuwen in plaats van via een grootschalige upgrade te doen die meestal nodig is voor traditionele architecturen.
Dat is een cruciale factor voor klanten in hernieuwingscycli. Zeker nu het vervangen van hardware duur is en door de huidige tekorten moeilijk binnen de juiste tijdlijn kan worden opgeleverd. Het vermogen om de houdbaarheidsdatum van bestaande assets te verlengen en tegelijk ook nieuwe hardware te introduceren, is steeds belangrijker voor infrastructuurbeheerders.
Kan de cloud helpen?
Wanneer de prijzen voor hardware scherp stijgen en de leadtijden tot maanden oplopen, kan de public cloud de druk verlichten. Een software-defined aanpak maakt dit zelfs heel eenvoudig.
Het runnen van dezelfde software in datacenters, edge-locaties en public cloud kan organisaties bijvoorbeeld de mogelijkheid geven om pieken in vraag of problemen met de levering op te vangen via de cloud. Ze hoeven hiervoor geen nieuwe omgeving te leren kennen of een ander operationeel model beheren. De ervaring is consistent, ongeacht waar de workload draait. Zo is de cloud niet langer een apart gespreksonderwerp en wordt het een natuurlijk verlengstuk van dezelfde infrastructuurstrategie.
Security en AI verhogen de inzet
Naast de tekorten en kosten krijgt infrastructuur met nog twee andere uitdagingen te maken. De eerste is security. Weerbaarheid tegen ransomware en compliance met de regelgeving hebben vandaag allebei vereisten op opslagniveau: onveranderlijke snapshots, georkestreerde recovery en beleid-gebaseerde controles die gecontroleerd en aangetoond kunnen worden. Deze componenten zijn steeds vaker inbegrepen in software-defined platformen, wat logischer is dan security pas later toe te voegen op eigen hardware die niet ontworpen is op basis van beveiliging.
De tweede uitdaging is AI. De groei van het volume van gestructureerde data dat door AI-pipelines gegenereerd en geconsumeerd wordt, vormt een enorme uitdaging voor architecturen met een vaste capaciteit. De consistente prestaties die modeltraining en inferentie vereisen, zijn bovendien onverbiddelijk voor bottlenecks in de infrastructuur. Organisaties die AI-features bouwen op opslaginfrastructuur die niet kan schalen of zich niet snel genoeg kan aanpassen, zullen zich snel realiseren dat de beperkingen van hun infrastructuur meer zijn dan een technisch ongemak. Het vormt een risico voor hun concurrentievermogen en creëert een meetbare kost en hinderpaal voor innovatie.
Is een hardware-centrisch model nog wel van deze tijd?
Op de vraag of software-defined storage volwassen genoeg is voor bedrijfstoepassingen hebben we al lang een antwoord gekregen. Organisaties moeten het dan ook omdraaien: is er nog een verdedigbaar argument om de opslagstrategie te verankeren met hardware-centrische modellen? Houdt dit nog steek in een omgeving waarin de prijzen van componenten in één kwartaal zomaar met 50%procent of meer kunnen variëren en waarin leveringsproblemen eerder structureel dan tijdelijk zijn?
Software-defined storage maakt hardware niet goedkoop. Wel zorgt het ervoor dat je organisatie niet meer vatbaar is voor de volatiliteit van hardware als strategisch risico. Wanneer de waarde van opslag in software geïntegreerd zit, bepaal je de hernieuwingscycli zelf en ben je hiervoor niet afhankelijk van je leverancier. Zo worden kosten voorspelbaar en verdedigbaar. In onze huidige omstandigheden is dat geen operationeel detail, maar juist de kern van het verhaal.
Dit is een ingezonden bijdrage van Nutanix. Via deze link vind je meer informatie over de mogelijkheden van het bedrijf.