Keepit bouwt Europese backup-cloud voor SaaS-workloads

Keepit bouwt Europese backup-cloud voor SaaS-workloads

Het Deense Keepit timmert hard aan de weg als Europees backup-platform. Met een eigen object store en eigen datacenters en door weg te blijven bij de Amerikaanse hyperscalers, heb je als bedrijf volgens CTO Jakob Østergaard precies wat je in de kern nodig hebt rond backups. Hoe steekt de architectuur in elkaar? En wat kan Keepit betekenen voor datasoevereiniteit en bescherming tegen ransomware?

Østergaard geeft aan dat de Europese positie van Keepit niet zomaar 1-2-3 ontstaan is. Het idee van het backup-platform begon eigenlijk al te spelen rond 2010, toen veel bedrijven zonder na te denken kozen voor AWS. Daarna kwamen ook Microsoft Azure en Google Cloud steeds vaker in beeld. Als Deense partij zag Keepit de kans om een eigen infrastructuur te bouwen, waarbij zaken als de storagelaag en datacenters werden meegenomen. Volgens Østergaard was dat een logische keuze voor wat een backup eigenlijk zou moeten zijn.

Østergaard ziet dat bij de overstap van Exchange Server naar Exchange Online eigenlijk al veel bedrijven tegen het probleem aanliepen dat de backup niet meeging. Er heerste een aanname dat de cloudprovider het wel zou regelen. Microsoft is daar volgens Østergaard altijd eerlijk over geweest in zijn gebruikersvoorwaarden: verlies je data in de online diensten, dan is een backup jouw verantwoordelijkheid. Dat was echter geen topprioriteit in marketingcampagnes.

Waarom geen hyperscaler?

Daaruit volgde de kernvraag waar je die backup dan neerzet. Een backup is een immutable kopie die volledig geïsoleerd is van productiedata. Het ideaal is een offline tape in een kluis, zonder stroom en zonder IT eromheen. In de cloud kan dat niet letterlijk, maar Keepit wilde er zo dichtbij komen als haalbaar was.

En daar wringt het met de hyperscalers. Microsoft 365 draait op Azure, een groot deel van Salesforce op AWS, Google Workspace op Google Cloud. Een gemiddelde organisatie gebruikt tientallen tot honderden clouddiensten. Er is geen hyperscaler te vinden waarop niet een deel van die diensten draait. Backup-data bij een van hen parkeren betekent dus per definitie dat de scheiding tussen primaire en secundaire data ergens sneuvelt.

Keepit ging ervan uit dat het merendeel van de wereldwijde data naar de cloud zou verhuizen en dat een fors percentage daarvan beschermd moest worden. Sommige klanten betalen voor honderd jaar retentie. Dat vraagt om een systeem dat vrijwel oneindig schaalbaar is, met gegarandeerde backward compatibility en een serviceafspraak over dezelfde termijn. Het antwoord van Keepit daarop is een eigen object store, specifiek voor backup-workloads.

Merkle tree-architectuur

Die object store rust op een Merkle tree-architectuur. Dit is een boomstructuur waarin hogere elementen (hashes) verwijzen naar meerdere onderliggende data-elementen. Dankzij deze cryptografische eigenschappen is in één oogopslag te verifiëren of de data ongewijzigd is gebleven. Die structuur past perfect bij backup-sets, aldus Østergaard. Keepit kan cryptografisch aantonen dat data die uit het systeem komt identiek is aan wat er ooit in ging, ook als dat bij wijze van spreken vijftig jaar eerder gebeurde. Dit kan zelfs tot op elke individuele e-mail en elk chatbericht.

Keepit houdt de Merkle tree zelf in beheer. De klant vertrouwt erop dat het bedrijf weet wat de backup-set gisteren was. Wel maakt de structuur het volgens Østergaard eenvoudig voor klanten om zaken zelf te verifiëren.

Bijna de hele schijf vullen

Het eigen filesystem heeft een tweede effect, en dat is puur economisch. Gangbare filesystems vullen een harde schijf niet helemaal, omdat verder vullen te veel snelheid kost. Keepit stelt daar efficiënter mee om te gaan, tot bijna de volledige schijf. Het systeem kan dit doen doordat het volledig is toegesneden op backup. Østergaard ziet dat Keepit hiermee een streepje voor heeft op andere platformen. Het resultaat is een kostenstructuur die volgens hem gunstiger uitpakt dan wat een hyperscaler kan bieden, zeker gunstiger dan die van concurrenten die zelf op AWS draaien. 

Keepit rekent per seat af, niet per gigabyte. Geen berekeningen over documentaantallen of benodigde IOPS. Heb je duizend medewerkers en neem je er tweehonderd bij, dan weet je wat dat kost. Keepit neemt daarmee bewust een risico op het datavolume, maar profiteert ook als dat meevalt.

Van drie workloads naar bijna twintig

De workloadondersteuning begon met Microsoft 365. Kort daarop volgden Salesforce en Google Workspace. In 2015 was de discussie vooral of cloud backup überhaupt nodig was. Ook grote enterprises gingen er nog van uit dat Microsoft wel zou bijspringen als het misging.

Dat besef is gekanteld, en zo werd uitbreiding relevant. Alleen kostte elke nieuwe workload veel werk. De toevoeging van Entra ID was een omvangrijk project. Een paar jaar terug concludeerde Keepit dat workloads op hoog niveau meer op elkaar lijken dan we denken: een HR-systeem en een identity management-systeem hebben veel gemeen. Het bedrijf bouwde daarom een eigen programmeertaal om die overeenkomsten te abstraheren.

Die technologie is inmiddels tweeënhalf tot drie jaar in gebruik. Keepit staat nu op 18 workloads. Nu worden ook onder andere Jira, Zendesk, Dynamics 365, Azure DevOps en Power Platform beschermd.

Anomaliedetectie op backupdata

Als er dan toch een ransomware-aanval op een bedrijf plaatsvindt, verschuift de vraag snel naar herstel. Keepit biedt standaardintegraties met SIEM-systemen en doet anomaliedetectie op de backupdata zelf. Op die manier kan het getroffen bedrijf bijvoorbeeld zien of er opvallend veel files gewijzigd zijn. Met de hoeveelheid en rijkheid van de dataset is er volgens Østergaard meer mogelijk dan wat er nu in de praktijk gebeurt, en hij verwacht daar ontwikkelingen.

Interessanter is ook wat er na de detectie gebeurt. Moet je alles terugdraaien of alleen de aangetaste objecten? Keepit werkt volledig granulair op objectniveau. Dat maakt het mogelijk om alleen de gecompromitteerde bestanden (zoals individuele documenten en/of mails) terug te zetten.

Meeste restores piepklein

Dat granulaire model sluit aan bij wat Keepit in zijn jaarlijkse data report zag. Het bedrijf keek voor het eerst naar het feitelijke gebruik van het platform door de klantenbasis, geanonimiseerd en op geaggregeerd niveau. De conclusie is dat de overgrote meerderheid van alle restores bestaat uit kleine, losse bestandsherstelacties. Dat wijst bijvoorbeeld op een ongelukje, zoals een werknemer die een document kwijt is.

Voor Østergaard zijn dat twee goede signalen. Ten eerste blijkt de meeste schade klein te zijn. Ten tweede is backup daarmee geen brandverzekering die je hoopt nooit te gebruiken, maar iets dat dagelijks waarde levert. Backup wordt vaak weggezet als plan B voor als alles weg is. Hoe vaak is daadwerkelijk alles weg? Dat gebeurt in de praktijk gelukkig minder vaak. De cijfers laten zien dat organisaties de dienst gewoon in hun dagelijkse werk hebben opgenomen.

Soevereiniteit als onverwachte differentiator

Het gesprek over infrastructuur en jurisdictie loopt onvermijdelijk door in soevereiniteit. Østergaard ziet daar het afgelopen jaar tot anderhalf jaar een sterkere focus dan ooit. Kan een Europees bedrijf functioneren zonder niet-Europese producten? Theoretisch wel. In de praktijk zou je dat niet willen.

Wat volgens hem écht is doorgedrongen, is het scenario waarin een niet-Europese dienst wordt afgesloten. Hoe goed de relatie tussen klant en leverancier ook is: als de leverancier onder een niet-Europese jurisdictie valt en het bevel krijgt om de dienst te stoppen, dan stopt de dienst daadwerkelijk. De vraag is dan wat je plan is. Geen toegang tot je data en de tent sluiten is een slechter antwoord dan herstellen vanuit backup, ook al is dat niet ideaal.

Keepit ziet volgens Østergaard veel belangstelling voor Europese alternatieven voor primaire clouddiensten én voor migraties daarheen. Zelf blijft het bedrijf aan de backup-kant. Dat het bedrijf zo ongeveer de enige Europese speler in dit segment is, is een mooie bijkomstigheid. Het is nu echt een differentiator in het huidige geopolitieke klimaat.

Eigen apparatuur in colocatie

De groei houdt wat dat betreft volop aan, ook in een markt waarin organisaties overal op kosten proberen te besparen. Volgens Østergaard compenseert de toegenomen aandacht voor Europese leveranciers die bezuinigingsdrift.

Hoewel de infrastructuur van Keepit staat als een huis, zijn de datacenters colocaties. De apparatuur in de datacenters is van Keepit: servers, netwerk, eigen IP-blokken, eigen internetrouting en eigen peering met de grote leveranciers. Ooit bezat het bedrijf een eigen datacenter, uit zijn hostingverleden. De conclusie was simpel. Als het niet hoeft, is het fijn om er geen te bezitten. De opslagdichtheid is bovendien hoog genoeg om het nu niet nodig te hebben.

Klanten kiezen zelf hun regio, en elke regio bestaat uit twee fysiek gescheiden locaties. In Frankfurt zijn dat twee colocatiefaciliteiten. Kies je Kopenhagen, dan staat je data in twee centers in die regio. Daarmee kan een volledige site wegvallen zonder dataverlies of onderbreking. Keepit bedient op deze manier klanten in Zwitserland, Duitsland, Denemarken, Nederland en het Verenigd Koninkrijk. Data blijft binnen de gekozen regio. De regio’s zijn onderling geïsoleerd. Voor een EU-bedrijf maakt het volgens Østergaard technisch niet uit of dat Kopenhagen of Frankfurt is. Beide zijn goede locaties.

Uiteindelijk heeft Keepit hiermee een platform gebouwd voor onafhankelijkheid en controle. Dat is een interessante optie wanneer je als bedrijf de regie wilt houden over je backups.

Tip: Keepit maakt backup een ‘bron van waarheid’ voor AI