Het komt steeds vaker voor dat enkele simpele maar verdachte zoekopdrachten gezamenlijk zorgen voor het verschil tussen doodslag en moord bij de berechting van verdachten. Eventuele zoekopdrachten kunnen dienen als het perfecte bewijs voor voorbedachte rade.

Het Openbaar Ministerie valt vandaag de dag steeds vaker terug op zoekopdrachten die nog in het geheugen van computers staan, om te bewijzen dat een misdrijf niet bij toeval of in een vlaag van verstandsverbijstering plaats had. Vooral moordzaken profiteren flink van de opgeslagen zoekopdrachten omdat de geschiedenis met regelmaat zeer ernstige interesses bloot kunnen leggen. Bovendien kunnen ze bewijzen dat het om een misdaad met voorbedachte rade draait, waardoor een zaak als moord kan worden geclassificeerd, in plaats van doodslag.

Omdat velen zich niet bewust zijn van wat een computer allemaal vastlegt, zijn ze zich ook niet bewust van dit gegeven wanneer ze de bewuste zoekopdrachten afvuren. Dit valse idee van privacy is voor nu dus een eenvoudige toevlucht voor aanklagers. De informatie over zoekopdrachten wordt in veel gevallen overigens niet bij de zoekdiensten zelf opgevraagd, maar gewoon van de computer van de verdachte geplukt.

Uit onderzoek van Computerworld en twee geleerden van de Vrije Universiteit van Amsterdam bleek dat in vijf recente moordzaken de zoekgeschiedenis van de verdachten een doorslaggevende factor waren. Dit bewijs zorgde er voor dat bewezen kon worden dat het om een moordzaak ging.

Het zoeken naar bijvoorbeeld methoden om iemand om zeep te helpen is niet strafbaar wanneer de daad niet bij het woord wordt gevoegd. Wanneer het individu daadwerkelijk betrokken raakt bij een dergelijke situatie kan het echter een heel ander licht op de zaak werpen. Het zoeken naar dit soort informatie zorgt er namelijk voor dat bewezen kan worden dat diegene vooraf plannen beraamde.