Prestaties (1)

Eerste kijken we kijken naar de benchmarks in Mac OS X Lion. De eerste test is Geekbench, deze applicatie berekent een score op basis van verschillende aspecten zoals processor, geheugen en opslag. Deze onderdelen worden getest met methodes als de Blowfish- en Mandalbroth-scalers. Vervolgens vergelijken we de scores met eerdere testen.


De MacBook Air’s scoren zo’n 20 tot 30 procent beter dan de voorganger uit 2011 en dat is ook conform te verwachtingen. Ivy Bridge zorgt niet voor een verdubbeling van de snelheid, maar toch wel weer voor een paar extra puntjes.

Tijd voor iBench, deze benchmark gaat net als Geekbench aan de slag met commando’s op basis van Floating Point- en Integer-berekeningen en test hierbij de processor. Ook hier wordt gebruik gemaakt van Blowfish- en Mandalbroth-scalers.


De score in iBench vind ik alleszins meevallen. Het verschil met de Retina MacBook Pro is niet groot en dat verbaast me. Het verschil met de MacBook Air uit 2011 is bijna 50 procent en dat is aanzienlijk.

Dan is het nu tijd voor de eerste Windows benchmarks. Om te beginnen Unigine 2.5, een grafische test.


De MacBook Air’s scoren vrijwel gelijk met elkaar en net iets beter dan alle ultrabooks, welke toch dezelfde hardware aan boord hebben en in deze test ook voorzien zijn van Windows 7. Dat is dus wel opvallend te noemen. De score op grafisch gebied is voor een ultrabook dan ook gewoon goed, maar voor een gaming-systeem blijft het erbarmelijk.

In PCMark 7 scoren de MacBook Air’s opnieuw opvallend goed, zeker in vergelijking met andere ultrabooks. Enkel de Asus Zenbook Prime weet de MacBook Air’s goed bij te benen, andere systemen moeten veel terrein prijs geven. In de Storage-test wordt al enigszins duidelijk hoe dit komt, de systemen zetten topscores neer, al is het verschil met de Asus Zenbook Prime maar klein.



In Cinebench moeten de MacBook Air’s hun meerdere erkennen in de Asus Zenbook Prime, maar andere ultrabooks blijven opnieuw ver achter met een score van rond de 2 punten.